Leuke kinderen, lastige vragen

Onderzoek naar gewicht en bewegen bij Angelman en Dup15q-syndroom
03-07-2026 - In dit interview met dr. Marie Claire de Wit (kinderneuroloog), dr. Karen de Heus (kinderarts erfelijke en aangeboren aandoeningen) en Puck Breed (arts-onderzoeker) van het Erasmus MC /Sophia Kinderziekenhuis lees je meer over de voortgang in het onderzoekstraject 'Gezond gewicht en bewegen bij kinderen met zeldzame syndromen'.

Angelman syndroom en Dup15q-syndroom

Kinderen met het Angelman syndroom en Dup15q-syndroom hebben problemen met groei, gewicht en bewegen. In beide gevallen speelt het UBE3A-gen een belangrijke rol, maar de klachten uiten zich verschillend: bij Angelman is vaak sprake van grote eetlust en overgewicht, terwijl kinderen met Dup15q meestal weinig eetlust hebben en juist ondergewicht kunnen ontwikkelen. In het Erasmus MC/Sophia Kinderziekenhuis bestuderen onderzoekers hoe deze problemen ontstaan en samenhangen en hoe deze inzichten de zorg en begeleiding voor deze kinderen kunnen verbeteren.  De For Wis(h)dom Foundation en Stichting Per Pugnam, Quod Ames (PPQA) ondersteunen het onderzoek voor 2 jaar. 

Interview

Wat was de belangrijkste aanleiding om dit onderzoek te starten?
Karen de Heus: We zijn dit onderzoek gestart naar aanleiding van mijn promotieonderzoek dat ik in 2024 afrondde. Er is al veel onderzoek gedaan naar epilepsie, ontwikkeling en gedrag bij kinderen met het Angelmansyndroom, maar over de groei is nog weinig bekend. Van 150 Angelmankinderen bestudeerde ik de groeigegevens. Duidelijk werd dat zij minder hard groeien en op hun 18e allemaal kleiner dan gemiddeld en te zwaar zijn. Om dit beter te begrijpen, onderzoeken we nu uitgebreider welke factoren de groei beïnvloeden.
Marie Claire de Wit: Het Erasmus MC/ Sophia Kinderziekenhuis is een expertisecentrum voor het Angelman syndroom: naast gespecialiseerde zorg doen we ook onderzoek naar deze aandoening. Labonderzoek laat zien dat ook muizen met Angelman syndroom te zwaar zijn. 
Karen de Heus: Het gevoel van honger en verzadiging werkt bij deze kinderen niet goed. Een Angelmankind zoekt altijd naar eten en heeft geen natuurlijke rem; waarschijnlijk gaat er iets mis in de aansturing vanuit de hersenen. Ook Angelmankinderen die een dieet volgen en veel bewegen zijn te zwaar. We onderzoeken nu dan ook hoeveel deze kinderen daadwerkelijk eten en bewegen en hoe hun lichaamssamenstelling is. 
Marie Claire de Wit: Tegelijk nemen we kinderen met het Dup15q-syndroom mee in ons onderzoek. Zij zijn ook kleiner, maar hebben geen sterke eetlust en vaak juist ondergewicht. De twee syndromen hebben een probleem met het UBE3A-gen: de Angelmankinderen hebben er te weinig van en de DUp15q-kinderen te veel. 

Hoe is het onderzoek opgezet? 
Marie Claire de Wit: We hebben het onderzoek observationeel opgezet. Dat betekent dat we op allerlei manieren kijken naar de gezondheid van de kinderen. Ouders en kinderen komen daarvoor naar ons Kinderhersenlab. Daar doen we verschillende metingen, zoals beweeg- en motoriektesten, een loopanalyse, metingen van het vetpercentage, het energieverbruik en de hersenactiviteit. Ook nemen we bloed af om onder andere de schildklier, maar ook de vet- en koolhydraatstofwisseling te onderzoeken. Daarnaast vullen ouders vragenlijsten in over voeding en beweging en krijgen de kinderen een activitytracker mee, zodat we ook hun dagelijkse beweegpatroon kunnen volgen.

Hoeveel kinderen doen inmiddels mee aan het onderzoek en hoeveel kinderen zijn er nodig voor een betrouwbaar onderzoeksresultaat?
Marie Claire de Wit: We hebben nu bij de eerste 5 Angelmankinderen en 1 Dup15q-kind metingen gedaan en hopen dat ongeveer een derde van de 100 Angelmankinderen meedoet. 
Karen de Heus: Van de 20 tot 25 Dup15q-patiënten die ons jaarlijks bezoeken, hopen we dat de helft meedoet. 

Hoe verloopt het werven van de kinderen? 
Puck Breed: Als expertisecentrum zien we jaarlijks bijna alle Nederlandse kinderen met beide syndromen, dus benaderen gaat gemakkelijk. 
Karen de Heus: We werven ook deelnemers via de oudervereniging voor Angelmanpatiënten, met wie we veel samenwerken. Voor de Dup15q-kinderen hebben we goed contact met een moeder die een facebookgroep beheert.
Marie Claire de Wit: Omdat ouders vaak al een zware zorgtaak hebben, zijn zij niet altijd bereid om ook nog aan een onderzoek mee te doen. Dat begrijpen we goed.
Karen de Heus: Het helpt wel dat de metingen in een soort gymzaaltje plaatsvinden; dat vinden de kinderen en ouders leuk. Daarnaast zijn eten en bewegen onderwerpen waar ze dagelijks mee te maken hebben, dus veel ouders zijn wel geïnteresseerd in ons onderzoek. 
Puck Breed: We plannen de meetmomenten in het Kinderhersenlab zoveel mogelijk op een dag dat de ouders en hun kind toch al op onze poli zijn. Ouders en kinderen die ver moeten reizen komen we tegemoet met een tijdstip dat voor hen haalbaar is. Dat maakt het net wat makkelijker om aan ons onderzoek deel te nemen.

Zijn de ouders (en kinderen) betrokken bij de opzet van onderzoek? 
Marie Claire de Wit: De ouders hebben niet meegeschreven aan het onderzoeksvoorstel, maar wel input geleverd over de problemen waar ze tegenaan lopen en welke vragen voor hen belangrijk en nog onbeantwoord zijn. 
Puck Breed: We zijn altijd blij met tips van ouders, omdat daar andere ouders ook weer mee geholpen zijn.

Ouders van deelnemende kinderen krijgen een rapport met adviezen. Worden deze adviezen opgevolgd?
Karen de Heus: Omdat wij ouders en kinderen maar eens per jaar zien, weten we dat niet precies, maar we hopen natuurlijk dat ouders er iets aan hebben. We sturen het rapport ook naar bijvoorbeeld een diëtist en fysiotherapeut in de regio; zij zien het kind vaker. Met de informatie uit het onderzoek kunnen zij het kind nog beter begeleiden. Ook vragen we hen te monitoren hoe de ouders met de adviezen omgaan.

For Wis(h)dom en de Stichting Per Pugnam, Quod Ames (PPQA) ondersteunen het onderzoek voor 2 jaar. Wat is er tot nu toe met de financiering gebeurd en wat gaat er nog gebeuren? 
Puck Breed: Sinds maart 2026 ben ik als arts-onderzoeker betrokken om de onderzoeksactiviteiten op te pakken. 
Marie Claire de Wit: Bij de eerste 6 kinderen zijn metingen gedaan. We leren daarbij ook veel over hóe je die metingen het beste doet. Daarnaast maakten we een folder voor ouders met uitleg over het onderzoek. Zodra we bij voldoende kinderen metingen hebben gedaan, kunnen we de resultaten analyseren en publiceren, met aanbevelingen voor de praktijk.

Kunnen jullie al iets zeggen over de (tussentijdse) resultaten van het onderzoek?
Karen de Heus: Er zijn pas metingen bij 6 kinderen gedaan; daar kunnen we nog geen conclusies uit trekken.

Is vervolgonderzoek nodig?
Marie Claire de Wit: Als we meer weten over de samenhang tussen groei, gewicht en bewegen en hoe de problemen ontstaan, kunnen we onderzoek starten naar een mogelijke behandeling. Daarbij betrekken we de onderzoekers in het lab, die dit verder in muizen kunnen bestuderen.

Hoe delen jullie de onderzoeksresultaten met zorgverleners buiten het Erasmus MC/ Sophia Kinderziekenhuis?
Karen de Heus: Eens per jaar zijn we op een wetenschappelijk congres in de Verenigde Staten en elke twee jaar op een Europese meeting. We zijn ook onderdeel van een internationaal en een Europees netwerk waarin we online informatie uitwisselen. En met een goede onderzoekspublicatie komen de resultaten sowieso op veel plekken buiten ons ziekenhuis terecht.

Wat is de belangrijkste drijfveer voor het werk dat jullie doen? 
Karen de Heus: Angelmankinderen hebben veel beperkingen, maar willen overal graag aan meedoen. Het zijn sociale en echt hele leuke kinderen! Met ons team zetten we ons in om hun kwaliteit van leven te verbeteren. Tegelijk willen we beter begrijpen wat er precies speelt, zodat we in de toekomst gerichter kunnen behandelen. De Dup15q-kinderen kennen we nog relatief kort. Daarom willen we graag meer over hen leren, zodat we ook hen beter kunnen ondersteunen in wat zij nodig hebben.
Puck Breed: Eerder werkte ik bij de afdeling genetica en merkte hoe weinig er bekend is over heel zeldzame aandoeningen. Door ons onderzoek weten we steeds meer en het is heel fijn om de vragen van ouders beter kunnen beantwoorden!
Marie Claire de Wit: Na mijn promotie in de genetica werkte ik met kinderen met ontwikkelingsproblemen waarvan de oorzaak onbekend is. Door de jaren heen konden we bij deze kinderen steeds vaker een diagnose stellen, maar een behandeling was er vaak nog niet. Mijn drijfveer is om met gerichtere, persoonlijke behandelingen de ontwikkeling van deze kinderen te verbeteren en hun deelname aan de samenleving te vergroten. Nu we meer over de aandoening weten, kunnen we ouders ook beter informeren over wat zij kunnen verwachten. Het is bijzonder om die vooruitgang van dichtbij mee te maken.

Waar ben je het meest trots op in je werk?
Karen de Heus: Ik ben trots op ons grote en enthousiaste team, waarmee we zorg bieden op alle domeinen aan bijna alle kinderen met Angelmansyndroom in Nederland. Daarnaast ben ik persoonlijk trots op mijn promotieonderzoek, waarin alles zo mooi samenkwam!
Marie Claire de Wit: Ik ben er trots op dat we vijftien jaar geleden samen de Angelman-poli begonnen en dat dit is uitgegroeid tot een expertisecentrum voor verschillende aandoeningen, met een hecht en veelzijdig team.
Puck Breed: Ik ben trots op wat anderen al hebben opgebouwd en dat ik daar als teamlid aan mag bijdragen!

Wat zouden jullie graag nog bereiken voor kinderen met Angelmansyndroom en Dup15q-syndroom?
Karen de Heus: Ik zou graag meer willen betekenen op het gebied van groei, bewegen en slaap. Slechte nachten zijn zwaar voor deze kinderen én hun ouders. Ook in non-verbale communicatie en het meedoen in de samenleving is nog veel winst te behalen. Daar is al veel in beweging, maar in Nederland bestaat nog altijd veel onbekendheid. En ik hoop natuurlijk dat ik dit nog lang mag blijven doen met ons fijne, hechte team.
Puck Breed: Ouders zouden direct bij de diagnose meer duidelijkheid moeten krijgen over wat zij kunnen verwachten, welke behandelingen mogelijk zijn en hoe zij hun kind het beste kunnen ondersteunen. Uiteindelijk draait het om meer houvast voor ouders en meer kansen voor de kinderen, bijvoorbeeld in communicatie en ontwikkeling.
Marie Claire de Wit: Ik hoop dat we kunnen doorgroeien naar meer op het kind afgestemde behandelingen voor deze syndromen én tot beter onderbouwde begeleiding in het dagelijks leven. Juist daar is nog veel winst te behalen. Tegelijk lopen gezinnen en zorgverleners vaak aan tegen grenzen, zoals lange wachtlijsten en beperkte middelen. Daarom is het belangrijk dat we onderbouwen welke zorg en begeleiding echt verschil maken, zodat ondersteuning terechtkomt waar die het meeste oplevert!

Betrokkenen

Bij dit onderzoek in het Erasmus MC/ Sophia Kinderziekenhuis zijn naast dr. Marie Claire de Wit (kinderneuroloog - foto links), dr. Karen de Heus (kinderarts erfelijke en aangeboren aandoeningen - foto rechts) en Puck Breed (arts-onderzoeker - foto midden) ook nog betrokken: Philine Affourtit (diëtist), Eva Rijkens en Carlijn Veltman (fysiotherapeuten), Maartje ten Hooven-Radstaake (orthopedagoog), Cindy Navis en Jamie van Bentum (logopedisten), Leontine ten Hoopen (kinder- en jeugdpsychiater), Martine Broekema (verpleegkundig specialist), Amy van Hattem (arts-onderzoeker) en Ype Elgersma (hoofd onderzoek ENCORE Expertisecentrum). 

De For Wis(h)dom Foundation en Stichting Per Pugnam, Quod Ames (PPQA) ondersteunen dit onderzoek voor 2 jaar.

De For Wis(h)dom Foundation en Stichting Per Pugnam, Quod Ames (PPQA) ondersteunen dit onderzoek voor 2 jaar.

Tekst: Ilze Roelofs